Veranderingen in kalkgraslanden

In Zuid-Limburg vinden we kalkgraslanden, met een bijzonder vegetatie. Het vormt een biotoop op zich, waar zelfs een vlindertje te vinden is: het kalkgrasland-vlindertje.  Kalkgraslanden zijn niet natuurlijk. Ze zijn ontstaan door beweiding, bosbranden, boomvallen en ingrepen van de mens.

In de Potentixeble Natuurlijke Vegetatie zijn de kalkverweringsbodems waar kalkgraslanden op voorkomen uiterst instabiele bodems, waar de natuurlijke vegetatie kwetsbaar was. In deze PNV zou op deze bodem zich ) in de huidige omstandigheden) een natuurlijk beukenbos ontwikkelen, echter kunnen deze niet zo diep wortelen als de beuken die op andere bodems staan (loess, zandbodems). Zo zullen deze bossen bomen voortbrengen die kleiner blijven, gemakkelijker omvallen bij storm , enz. De kalkverweringsbodem warmt snel op. Zulke bodems waren in het Mesolithicum, ongeveer 8000-9000 jaar geleden, dan ook geliefde plaatsen om te verblijven. Op dergelijke plaatsen heb ik dan ook al enkele Mesolithische sites ontdekt.

Slide40 

Enkele referenties/ internet

Stichting Bargerveen, artikel

Dominique Hagemans ( 2011) : Biodiversiteit in halfnatuurlijke  kalkgraslanden in zuid-Limburg pdf

Alterra H6210 versie 1 sept 2008.doc

 

 

 

 

 

 

 

9 July 2011
By on 19:08
Eichmischwouden

In de prehistorie kon zich een vegetatie ontwikkelen, waarin de eik ( Quercus sp.) een dominante rol speelde, althans steeds aanwezig was. Echter, aangezien het hier niet altijd ging om gangbare plantgemeenschappen, werd vanuit pollenanalytisch oogpunt de term "eichmischwald" bedacht. Geheel zonder grondslag is dit echter niet, aangezien zich , afhankelijk van bodemsoort, waterhuishouding , pH en andere abiotische factoren een geschikt biotoop ontstaat waarin de eik samen met andere boom – en plantensoorten kan voorkomen.

Hieronder heb ik de soorten op een rijtje gezet.

Slide41 

Slide42 

Slide43 

 Slide44

 

Internet/ literatuur

Archxe4obotanik. Stefanie Jacomet Author, Angela Kreuz   UTB, Stuttgart (November 1, 1999)// <![CDATA[ amznJQ.onReady('bylinePopover', function () {});// ]]>(Author), Manfred Rxf6sch (Author)

 


By on 18:51
Lindenwouden in de prehistorie

Ons land was in een groot deel van de prehistorie bedekt met lindenwouden. Deze lindenwouden waren niet overal hetzelfde. De samenstelling was afhankelijk van de bodem en van  plaatselijk heersende omstandigheden, zoals hoeveelheid neerslag, zonneschijn, enz.

Globaal kunnen we een onderverdeling maken in de volgende typen.

Slide36 

Slide37 

Slide38 

Slide39 

Het zal opvallen, dat de lindenwouden xe9en op xe9en te vergelijken zijn  met de huidige beukenbossen verbonden. Immers, de beukenbossen hebben omtsreeks 1100 v. Christus de lindenwouden verdrongen. Waarschijnlijk zijn de lindenwouden verdwenen, door toedoen van de mens ( bomenkap, bladeren als veevoer gebruikt).

Op de afbeelding hieronder is te zien waar zich de lindenwouden bevonden in zuid-Limburg tussen Maastricht en Bemelen

Slide45 

referenties/ internet

Terug naar het lindenwoud?PDF   P.W.F.M. Hommel,  J. den Ouden,  Wageningen Universiteit, Lsg Bosecologie en Bosbeheer ( 1978)

V.A. Onyshchenko, Forests of order fagetalia sylvaticae in Ukraine , M.G. Kholodny Institute of Botany National Academy of Sciences of Ukraine  Kyiv x96 2009

INBO, Bosplantgemeenschappen in Vlaanderen

 

 

  


By on 06:15
Potentiële Natuurlijke Vegetatie dia’s

 
Hier volgt een selectie van de dialezing over potentiele vegetatie. Het gekozen referentie kader vanuit PALEOFLOR is de Potentiële Natuurlijke Vegetatie in het Atlantikum ( globaal : 7.270–3.710 v.Chr.), gebaseerd op de Holocene Thermal Maximum (HTM). Daarbij is in het relaas vooral aandacht aan verschuivingen die opgetreden zijn sinds dit HTM- punt. Voor een deel betreft het dan natuurlijke oorzaken ( verschuivingen in klimaat) en voor het grootste deel betreft het dan de invloed van menselijk handelen op bodem / bodemsamenstelling , hydrologie , enz. 

Modellen / en samenstelling dia's : Paleoflor, referenties informatie: zie dia 3 en dia 4. Lezing uitsluitend bedoeld (geweest) voor niet-commerciële doeleinden.

© PALEOFLOR 2008-2010

 

Slide02 

 Slide03

Slide04 

Slide05 
Slide06 
Slide07 
Slide08 
Slide09 
Slide10 
Slide11 
Slide12 
 
Slide14 

Slide15 
Slide16 
Slide17 
Slide18 
Slide19 
 
Slide21 
Slide22 
Slide23 
Slide24 
Slide25 

Slide26 
Slide27 
Slide28 
Slide29 
Slide30 
Slide31 
Slide32 
Slide33 

Slide34 
Slide35 
Slide36 
 
Slide38 
Slide39 
Slide40 
Slide41 

Slide42 
Slide43 
Slide44 
Slide45 
Slide46 
Slide47 
Slide48 
Slide49 
Slide50 
Slide51 
Slide52 

Slide53 
 
 
Slide56 
Slide57 
Slide58 
Slide59 
Slide60 
Slide61 
Slide63 
Slide64 
Slide65 
Slide66 
Slide67 
Slide68 
Slide69 
 

3 May 2011
By on 15:27
Duinvegetatie tijdens transgressiefase en regressiefase

TRANSGRESSIEFASE

De noordzeekust heeft er steeds weer anders uitgezien in de loop der eeuwen. Tijdens het paleolithicum bestond er geen kustlijn, en waren er geen duinen. Je kon gewoon doorlopen, over de "zeebodem", die dan ook niet zo laag ligt ( meest 8- 40 meter diepte).

Na het laat-glaciaal ( ca 12000 jaar geleden) begon het ijs wereldwijd te smelten en steeg de zeespiegel. Vanaf dat moment vormde zich langzaam de huidige Noordzee, waarin, zoals we weten nog een verhoogd stuk land, lange tijd droog bleef ( Doggersland, dat als een eiland in de vollopende Noordzee lag; vandaar dat hier veel resten gevonden zijn van zoogdieren die hierheen zijn gevlucht, op de latere Doggersbank). Uiteindelijk liep de hele Noordzee vol, en ontstond er een kustlijn. Deze kustlijn lag aanvankelijk nog veel verder de Noordzee in. Door een oprukkende zee ( we noemen dat een transgressie- fase) werd veel nieuw gevormd land weer verspoeld, inclusief het eventueel gevormde veen dat zich in de brakwater kreken had gevormd. De zee kende echter ook fasen, waarin ze zich terugtrok , waardoor de kustlijn zich uitbreidde. Tijdens de transgressiefasen ontwikkelde zich een bepaalde, typische flora. Een flora die natuurlijk goed bestand is tegen overstroming.

In de duinen achter de strandwallen zien we ook de eerste ontwikkeling van heide…deze heide is een natuurlijke vegetatie, dus geen successiestadium, zoals onze tegenwoordige heide is.

Op de dia hieronder is te zien welke soorten hierin belangrijk waren.

We zien van links naar rechts de standplaatsen van kwelderplanten

(blauwe toegevoegde ruit = uit archeologische context bekend; kweldergras ijzertijd;  lamsoor friesland vanaf de bronstijd; zeeaster uit Nopolder Neolithicum.)

Hele stukken van Friesland overstroomden en de zee liet hier klei achter. Het areaal aan kwelders dat geschikt was voor beweiding met schapen slonk door de transgressie van de zee. De zee liet uiteindelijk vruchtbare klei achter. Duinvegetatie 

Literatuur / Verder lezen

Artikel over zeespiegelstijging/ trangressie ( Deltawerken online)

Artikel Luc Aelvoet vzv Ontstaan van de Noordzee en onze kust ( = Belgische kust) PDF

 

 REGRESSIEFASE

Tijdens een regressie fase   trekt de zee zich  juist terug. De grote fasen waarin de zee zich terug trok waren : vanaf 3600 v. Chr. En ca. 100 v. Chr. – 1000 n. Chr. De Lage landen vervenen tussen 2500- 1000 v. Chr.

 

Achterland van duinen.

 

We kunnen de gradiënten vanaf de kust zien als een verschil in veel overstroming / weinig  overstroming en een overgang  van  de aangepaste vegetatie hierop. Het vierkante  gekleurde blokje op de dia toont ons dat een soort   is aangetroffen in archeologische context ( mn. op Texel) Er zijn minder soorten gevonden in regressie –fasen dan in transgressiefasen. Dat komt, doordat tijdens de laatste transgressiefasen  de jonge duinen zijn gevormd, zeg na zo rond 14 e 15 e eeuw. Daardoor liggen de oude duinen op een grote diepte en veel van het gebied waarin zich de   binnenduinen  bevinden,  is of afgegraven, of is als bloembollenveld in gebruik genomen.  Op de afbeelding zien we het type landschap dat de eerste boeren in 3000 v. Chr. ontgonnen. Het gaat om een uniek, ongerept landschap, zulke landschappen die we nu nog kunnen aanschouwen zijn identiek aan die van 3000 jaar geleden! Een botanische blik terug in de tijd dus! (Vegetatie: o.a. dauwbraam, duindoorn, heide, wilde liguster).

Regressiefase 

Literatuur/ verder  lezen:

Piet Kooi Terpenlandschap van Groningen en Friesland PDF

Ecomare informatie over duinvegetatie in het heden

 

 

 

 

22 November 2010
By on 14:14
Friese terpen

Terpen zijn bewoningsplaatsen die door mensen zelf zijn gemaakt. Dit in tegenstelling tot natuurlijke hoogten, die worden aangeduid met 'horst' of 'donk' ( beekduin).Deze natuurlijke hoogten zijn dikwijls restanten van oude rivierduinen of verstoven hoogten uit de laatste fase van de ijstijd. We vinden de terpen in Groningen en Friesland, maar ook in Zeeland. In dit artikel is een Friese terp als voorbeeld gebruikt. Over de ontstaangeschiedenis van terpen is, dankzij onderzoek veel bekend.

Zo weten we uit archeobtoanisch onderzoek dat de terpen uit meerdere lagen zijn opgebouwd. Hieronder zien we een schema van de Monnikenterp in Tzummarum, over de periode 600- 1000 n. C., die opgebouwd is uit 4 onderscheiden lagen: (1)een terpzool, (2) een mestlaag, daarop (3) een loopvlak en daarop weer (4) een mestlaag. De terpzool bestaat voor bijn 3/4 uit plaggen waarin stengels en resten van de zilte rus ( Juncus gerardi)  aantoonbaar zijn en verder voor het grootste deel uit  plaggen met melde ( Atriplex)  en resten van het duizendguldenkruid  (Centaurium). Het schorrenzoutgras (triglochin maritima) werd eveneens  afgeplagd om de terpzool mee te versterken. Op zulk een laag plantenresten, gecombineerd met zand kon geleefd worden, en hierin verzamelde zich in de loop der eeuwen natuurlijk veel afval. Dit laatste is voor archeologen bijzonder interessant, het toont iets van de bewoningsgeschiedenis, de handel, gebruiken, enz. De terp van Wijnaldum ( Gem. Harlingen, Friesland) heeft mooie vondsten opgeleverd, zoals aardewerk, graven en een Romeinse fibula.

 

Lezing2005 LANDSCHAP&VEGETATIEiLL 

(Voor wie het interesseert volgt hier een verder uitleg van de dia hierboven:

Terpen

worden sinds ca. 500 n. Chr. over het algemeen opgeworpen . Vanaf 1100 worden de Lage Landen bedijkt en zijn terpen dus overbodig.

Uitleg over de terp van Tzummarum (600-1000)

De zilte rus (J. gerardii) vormt  75 % van de eerste bewoningslaag.laag waarop de terpis gebouwd. Ook in de andere lagen is Zilte rus prominent aanwezig.  In de bovenste Mestlaag bevond zich overwegend Agrostis (struisgras). Ook Het schorrenzoutgras(Triglochin maritima) was in grote aantallen aanwezig. De terpzool is een ophogingslaag.  Zoutweiden en het schorrenlandschap is een ongerept landschapstype, waarin je terug kunt kijken naar de vegetatie van de prehistorie, iets dat voor ons land uniek is. )  Deze begetatietypen kwamen vooral voor in Phase 3  600 v. Chr. tot 500 v. Chr  (Groningen) en bv. Leeuwarden, Grijpskerk.

[Schorrenkruid= Suaeda maritima , Strandmelde= Atriplex littoralis. Zeeweegbree Plantago maritima ]  

 Rechts op de dia zien we het  ontginnen van terpen of wierden… wielvormig, vanuit het midden, iedereen kreeg  dezelfde soort bodem om te ontginnen. De eerste terpen worden aangelegd ca. 500 v. chr. Er is in het onderzoek een samenwerking tussen geologen/ archeologen ivm de enorme dynamiek van dit gebied. Inzet: het masker van Middelstum; afkomstig van de  Middelstum (terp), hier  zijn de oudste sporen van bewoning in het Friese kweldergebied ontdekt(  vroege ijzertijd ) ca. 700 v. Chr. Middelstum opgraving MIBO phase3 –600 tot –500. Zeeland kent ook terpen( vlied, werf), deze dateren van ongeveer 900 n. Chr.

Literatuur/ Verder lezen:

FWN archeologie terpenonderzoek Anjum (Fr.)

Video archeoloog dr. Johan Nicolay over terpenonderzoek (op Erfgoedstem)

ARC rapport nr. 52 , Groningen, 2002;  C. G. Koopstra, m.b.v. H. Hacx, M.J.L. Th Niekus , G.J. de Roller & A. Ufkes Groningen Archeologisch onderzoek in de Bullepolder, Gemeente Leeuwarden. PDF

Albert Egges van Giffen , 1969, W- Nordhoff Groningen; Vijftig jaren terpenonderzoek; uitg. naar aanleiding van vijftigjarig bestaan van de Vereniging van Terpenonderzoek

 


By on 13:23
Veen

Wat is veen?

Veen is voor archeobotanici zeer interessant om te bestuderen. Het bestaat uit rottende plantendelen, die, onder zuurstofarme en meest zure omstandigheden  langzaam tot lagen worden samengeperst.I n die lagen kunnen we dikwijls – niet altijd- nog plantenresten onderscheiden: stengels, bladeren, wortels en soms zelfs bloemblaadjes. Zulk veen bouwt zich alleen onder bepaalde klimatologische omstandigheden op. Zo kan veen iets vertellen over warmere fasen (interstadialen) tijdens de ijstijd.

Soorten veen

Niet alle veen is hetzelfde. Veen onderscheid zich aan de hand van onder welke omstandigheden  het is gevormd, en uit welke componenten.

We onderscheiden twee soorten veen, te weten het hoogveen en het aagveen. Het verschil tussen beiden is, dat hoogveen zich uitsluitend voedt met regenwater, terwijl laagveen door de grondwaterspiegel wordt beinvloed.

Laagveen

Laagveen vinden we vooral langs de kust zoals langs de  IJsselmeerkust. Afgravingen van het veen direct aan  de kust van de voormalige Zuiderzee vinden we bijvoorbeeld bij Nijkerk ( Nijkerkerveen, Holkerveen), en bij Kampen ( Kamperveen). Dit veen is niet zo erg dik ( plaatselijk tot  twee  meter) , omdat veel veen is weggelsagen tijdens overstromingen door de Zuiderzee. Langs de zeekust is het veen plaatselijk veel dikker, tot 35 meter dik.

Laagveen 
Afbeelding: in het laagveen onderscheiden we verschillende soorten, al naar gelang de oorsprong waaruit het veen is opgebouwd.  

Hoogveen treffen we aan op stagnerende bodems, waarin (kei- en löss-) leem een belangrijke factor is (ondoorlaatbaarheid).Het met regenwater gevulde gebied ontwikkelt hoogveen eveneens door rottende plantendelen, waarop een veenmos groeit (Sphagnum sp.)

Hoogveen 
Ook in hoogveen zijn diverse typen te onderscheiden. In onderstaande afbeelding is te zien, hoe veenmos ( Sphagnum) een goede indicator is om vast te stellen in welke perioden er sprake was van opbouw van de hoogveengbieden. Het meeste hoogveen is inmiddels afgegraven, en levend hoogveen is zeldzaam ( Fochtloërveen).
Veenmos 

Betekenis voor de archeologie en archeobotanie

In de archeologie kan men informatie uit veenpakketen gebruiken om (een deel van) de locale vegetatie te reconstrueren.Deze reconstructies zijn van belang om te bepalen in welke omgeving de mens in bepaalde perioden leefde. In geschikte veensoorten kunne we ook een pollenbak slaan, om stuifmeelonderzoek te verrichten en zo de opeenvolging van de vegetatie te reconstrueren. Vegetatiereconstructies ( zoals  uit Zuid-Limburg) zijn zelfs volledig afhankelijk van monsterlocaties in geschikt veen ( gebonden aan Fraxinus sp. , es) omdat deze monsterpunten permanent onder de gropndwaterspiegel zijn gebleven, sinds de veenvorming begon in het Holoceen, maar vaak ook ervoor in het glaciaal, omdat hier permanent water afvloeide.

Veenlagen worden over zeer lange tijd opgebouwd ( ca 3 mm per jaar /  30 cm per eeuw in Drenthe) een laag van 3 meter staat dus gelijk aan 10.000 jaar! De kano van Pesse is gedateerd op ca 8000 v. Chr. en is in het veen gevonden… Dit toont de uitstekende conserveringsmogelijkheden van het veen.

Door de goede conserveringsgraad kunnen in veen niet alleen houtresten zoals de kano worden bewaard , maar ook plantenresten ( zaden, stengels, boombast,  enz.),  insekten, schimmels, en zelfs mensen  (bijvoorbeeld het meisje van Yde). Daarnaast hebben veengebieden een magische aantrekkingskracht gehad op mensen in de prehistorie, er werden  bijvoorbeeld offers gebracht hetgeen soms prachtige vondsten oplevert, zoals de gouden Romeinse helm van Helenaveen.

 

Literatuur/artikelen/ verder lezen:

Laagveen (Geologie van Nederland) 

Hoogveen (Geologie van Nederland)

Laagveen/Hoogveen NCB Naturalis

 Archeobotanisch bewijs voor ontginning en lange-afstand transport van turf

in Vlaanderen rond 1200 AD: heropgegraven veen uit de abdij van Ename (Oudenaarde, prov. Oost-Vlaanderen) PDF

Biaxiaal  436 De Circualaire structuur van Assebroek, het archeobotanisch onderzoek (BIAX) W, van der Meer 2009 PDF

John R. Mulder en Louis W. Dekker, Natte daliegaten en verdrogende daliebulten in (voormalige) veengebieden;Alterra Wageningen PDF

Meisje van Yde ( veenlijk)

Bogpeaople ( Drents museum)

 

 

 

 

 

19 November 2010
By on 16:15
De tamme kastanje

We kennen de tamme kastanje (Castanea sativa) allemaal wel, als een inlandse boom. Dat was deze soort echter niet. Het is een exoot die hier "van nature"niet thuishoort, althans niet in de laatste perioden van het kwartair.

Romeins 
Wanneer we bekijken waar de soort is aangetroffen in ons land en in welke periode, dan zien we dat de soort voor eerst aangetroffen is in Velsen, Nijmegen en voerendaal. Pas rond het jaar 800 n. C. zien we de soort ineens in Leeuwarden. De door de Romeinen geintroduceerde soort heeft er dus vele eeuwen over gedaan om zich in ons land te verspreiden. Overigens gebruikten de Romeinen niet alleen de noten, ook het hout werd als zeer waardevol gezien en gebruikt.

Echter weten we niet of de in het noorden aangetroffen soorten verhandeld zijn geweest of dat het om aangeplante soorten zou gaan, waarvan men de noten heeft gegeten…Vanaf dat moment echter zien we de tamme kastanje in allerlei monsters opduiken, op locaties boven de rivieren.

Info Castanea sativa  

Wikipedia tamme kastanje

Ojectief be, tamme kastanje

Bron gegevens RADAR RACM, 2003

M. Conodera et al.; The cultivation of Castanea sativa (Mill.) in Europe, from its origin to its diffusion on a continental scale  (in Vegetation history and Archaeobotany 13- 3,  2004)


By on 15:57
Ijstijd: verschillende vegetatie op de vlakten

Net als in de hedendaagse vegetatie, waren er gedurende de koude(re) fasen van de ijstijd, de zogenaamde glacialen, duidelijke verschillen in de begroeiing op de  enorme vlakten in Europa.

Het maakte nogal uit of je te maken had met de permafrost-bodem in ons land, vlakbij het enorme pakket landijs, of met de permafrost- bodem bij Bordeaux. Bodemsoort, begrazingsdruk,  micro-klimaat en  plant kenmerken als habitat en  tolerantie bepaalde welke planten op de uitgestrekte vlakten konden groeien. Het zal duidelijk zijn, dat het gaat om lichtminnende planten, (1) die zich hebben aangepast aan klimatologische omstandigheden  op de vlakte: ijskoude winden, soms relatieve droogte of juist zeer vochtige omstandigehden, en een verzadiging met kalk in de bodem door de lage temperaturen. Het was dus niet zo dat de grote glaciale vlakten er in Europa hetzelfde uitzagen en het was zeker geen toendra zoals wij die nu kennen. De omstandigheden op de huidige toendra zijn niet overeenkomstig met die van de glaciale vlakten, aangezien  de huidige toendra's zich op hoge breedtegraden bevinden, waar bijvoorbeeld de invloed van de zon in de zomer aanzienlijk minder groot is, dan op de glaciale  vlakten in Nederland en België.

Hieronder voorbeelden van de verschillende soorten planten aangetroffen als fossiel stuifmeel in verschillende delen van Europa.

(1) Over het algemeen werd de vlakte dus gekoloniseerd met lichtminnende planten, echter Poa nemoralis  (schaduwgras) tref je juist aan op beschaduwde plaatsen.Ook op de vlakten waren locale schaduwrijke plaatsen aanwezig, op plaatsen met groter reliëf, achter rotsblokken, heuvelranden op de noordelijke helling enz.

Open vegetatie Europa 

De vegetatie die zich op de vlakten liet dus een wisselende samenstelling zien. Deze samenstelling, globaal gelezen over 6 verschillende locaties in Europa laat het volgende beeld zien:Open vegetatie europa2 

Ongeveer 30-40 % van de vlakten is gemiddeld met grassen bedekt. De hier genoemde Artemisia , die altijd voorkomt op de glaciale steppen,  is waarschijnlijk niet Artemisia vulgaris, de bijvoet, maar het zou wel kunnen. De Cyperaceae (cypergrassen)  hebben een vergelijkbaar aandeel in de vegetatie als op de tegenwoordige toendra's. Dwergstruikjes als de poolwilg (S alix arctica  en dwergberk (Betula nana) hebben een klein deel van de vlakten bezet: samen ca  14 %. De zomercypres , (Kochia) ,een kleine struik, maar aanzienlijk groter dan  de dwergstruikjes, komt vooral voor op de koude steppen.

Zulke vegetatie ontston niet ineens. In de cycli, waarin (open) bosvegetaties en open vlakten elkaar afwisselden vond een steeds verdergaande successie plaats, onder invloed van het klimaat. Het veranderde, opwarmende  klimaat gedurende een interstadiaal (of , wanneer de opwarming doorzette gedurende een interglaciaal) maakte de bodem als het ware geschikt voor een andere vegetatie. Zo kan het gebeuren dat in twee korte interstadialen (Bølling en Allerød) een verschillende vegetatie ontwikkelde.

Hieronder zien we een globaal overzicht van de zich ontwikkelende vegetatie op een toendra-steppe.

Toendraflora 

 

 Literatuur/ verder lezen:

TNO natuurinformatie, Laat -pleistoceen 

Berendsen, H.J.A.; Landschap in delen, overzicht van geofactoren, 2009

Vakblad voor biologen, VB., Volumes 48-49 Centen's uitgeversmij, 1968
The study of begetation :a review of the developments in the various branches of vegetation science with special attention to the Dutch contributions compiled to celebrate the one-hundreth meeting of the Commission for the Study of Vegetation of the Royal Botanical Society of the Netherlands (Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging) M.J.A. Werger ,1979
Archäobotanik, Aufgaben, Methoden und Ergebnisse vegetations- und agrargeschichtlicher Forschung; Jacomet/ Kreuz, Eugen Ulmer 1999

 

7 October 2010
By on 04:16
Biostratigraphische zones

Biostrat zones 

Fossiel stuifmeel in de bodem wordt gevonden in een bepaalde laag. Deze bodemlagen ( we noemen dat de stratigrafie van de bodem)  corresponderen met perioden die op basis van vegetatiekenmerken herkend kunnen worden. Zo kan de gevonden vegetatie gekoppeld worden aan een glaciale, danwel interglaciale of interstadiale periode. Overigens kan niet alleen fossiel stuifmeel op deze wijze worden gekoppeld. Ook andere vondsten die te maken hebben met de ontwikkeling van het leven op aarde kunnen aan biostratigrafische zones worden gekoppeld.

Het waren Blytt en Sernander in 1909, die deze tabel hebben ingesteld, om het fossiele stuifmeel in een periode te kunnen plaatsen. Deze tabel is later wel aangepast.

Voorbeeld  van gebruik van biostratigrafische zones

 M. S. CHAUHAN : Pollen record of vegetation and climatic changes in north eastern Madhya Pradesh during last 1,600 years PDF

verder lezen via internet links

Blytt Sernander Sequence

The uses of Pollen analysis by Sean Mewhinney, Canada

N. Schrøder, L. Højlund Pedersen, R. Juel Bitsch 10,000 years of climate change and human impact on the environment in the area surrounding Lejre., 2004 Denmark

 

 


By on 04:10