Net als in de hedendaagse vegetatie, waren er gedurende de koude(re) fasen van de ijstijd, de zogenaamde glacialen, duidelijke verschillen in de begroeiing op de enorme vlakten in Europa.
Het maakte nogal uit of je te maken had met de permafrost-bodem in ons land, vlakbij het enorme pakket landijs, of met de permafrost- bodem bij Bordeaux. Bodemsoort, begrazingsdruk, micro-klimaat en plant kenmerken als habitat en tolerantie bepaalde welke planten op de uitgestrekte vlakten konden groeien. Het zal duidelijk zijn, dat het gaat om lichtminnende planten, (1) die zich hebben aangepast aan klimatologische omstandigheden op de vlakte: ijskoude winden, soms relatieve droogte of juist zeer vochtige omstandigehden, en een verzadiging met kalk in de bodem door de lage temperaturen. Het was dus niet zo dat de grote glaciale vlakten er in Europa hetzelfde uitzagen en het was zeker geen toendra zoals wij die nu kennen. De omstandigheden op de huidige toendra zijn niet overeenkomstig met die van de glaciale vlakten, aangezien de huidige toendra's zich op hoge breedtegraden bevinden, waar bijvoorbeeld de invloed van de zon in de zomer aanzienlijk minder groot is, dan op de glaciale vlakten in Nederland en België.
Hieronder voorbeelden van de verschillende soorten planten aangetroffen als fossiel stuifmeel in verschillende delen van Europa.
(1) Over het algemeen werd de vlakte dus gekoloniseerd met lichtminnende planten, echter Poa nemoralis (schaduwgras) tref je juist aan op beschaduwde plaatsen.Ook op de vlakten waren locale schaduwrijke plaatsen aanwezig, op plaatsen met groter reliëf, achter rotsblokken, heuvelranden op de noordelijke helling enz.
De vegetatie die zich op de vlakten liet dus een wisselende samenstelling zien. Deze samenstelling, globaal gelezen over 6 verschillende locaties in Europa laat het volgende beeld zien:
Ongeveer 30-40 % van de vlakten is gemiddeld met grassen bedekt. De hier genoemde Artemisia , die altijd voorkomt op de glaciale steppen, is waarschijnlijk niet Artemisia vulgaris, de bijvoet, maar het zou wel kunnen. De Cyperaceae (cypergrassen) hebben een vergelijkbaar aandeel in de vegetatie als op de tegenwoordige toendra's. Dwergstruikjes als de poolwilg (S alix arctica en dwergberk (Betula nana) hebben een klein deel van de vlakten bezet: samen ca 14 %. De zomercypres , (Kochia) ,een kleine struik, maar aanzienlijk groter dan de dwergstruikjes, komt vooral voor op de koude steppen.
Zulke vegetatie ontston niet ineens. In de cycli, waarin (open) bosvegetaties en open vlakten elkaar afwisselden vond een steeds verdergaande successie plaats, onder invloed van het klimaat. Het veranderde, opwarmende klimaat gedurende een interstadiaal (of , wanneer de opwarming doorzette gedurende een interglaciaal) maakte de bodem als het ware geschikt voor een andere vegetatie. Zo kan het gebeuren dat in twee korte interstadialen (Bølling en Allerød) een verschillende vegetatie ontwikkelde.
Hieronder zien we een globaal overzicht van de zich ontwikkelende vegetatie op een toendra-steppe.
Literatuur/ verder lezen:
TNO natuurinformatie, Laat -pleistoceen
Berendsen, H.J.A.; Landschap in delen, overzicht van geofactoren, 2009
Vakblad voor biologen, VB., Volumes 48-49 Centen's uitgeversmij, 1968
The study of begetation :a review of the developments in the various branches of vegetation science with special attention to the Dutch contributions compiled to celebrate the one-hundreth meeting of the Commission for the Study of Vegetation of the Royal Botanical Society of the Netherlands (Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging) M.J.A. Werger ,1979
Archäobotanik, Aufgaben, Methoden und Ergebnisse vegetations- und agrargeschichtlicher Forschung; Jacomet/ Kreuz, Eugen Ulmer 1999